Vuur

Stuurman Jan vertelt:
“We zijn er. Het gonsde door ieder Kaapverdië-seizoen dat ik hier gevaren heb, het derde inmiddels: we moeten eens naar Fogo. En deze reis, mijn laatste van dit seizoen, zijn we er. Fogo (Portugees voor vuur) is een van de eilanden van de Kaapverdische archipel en is net als de rest vulkanisch. Fogo is, als je het op de kaart bekijkt, min of meer rond. Bij helder weer kan je het wel eens zien liggen vanaf Santiago en dan ziet het eruit zoals een kind een vulkaan zou tekenen. Twee steile hellingen met een krater in het midden. Een krater waaruit nog niet zo lang geleden lava stroomde, een krater aan de rand waarvan wij vandaag hebben gestaan. 
We rijden vanaf São Filipe omhoog over zo’n kringelweg die je gebruikt om een steile berg omhoog te komen. Ik roep altijd tegen de gastbemanning aan boord dat Kaapverdië zo leuk is door zijn diversiteit: alle eilanden zijn anders. Dit is een typisch voorbeeld. Ik was hier nog nooit geweest, maar het landschap, getekend door oude en nieuwere, al dan niet bebouwde of begroeide lavastromen, is totaal anders dan alle andere eilanden. Het is nogal een eind rijden naar het hoogste punt, dat op 2830 meter hoogte ligt. Onderweg rijden we langs en over lavastromen van uitbarstingen uit 1951, 1995 en 2014, vertelt de chauffeur. En veel meer nog oudere. Als we hoger komen worden de zwarte banen in het landschap breder. 
Helemaal bovenaan, net naast de kraterrand, weet je niet wat je ziet. Zover als het oog reikt donkergrijs gesteente in verschillende vormen, van zand tot huizenhoge brokstukken, allemaal uitgespuwd door dat gat in de aarde. Iedereen is stil of slaakt kreten van ontzag. Wat een landschap. Met daaronder een dorp van 20 huizen, vertelt de chauffeur. Volledig weggevaagd. Wat een geweld. 
We lopen wat rond, vergapen ons aan het tafereel, maar krijgen dan toch ook gewoon weer trek, wat ons naar São Filipe doet terugkeren voor een fijne lunch, en wat tijd om deze hoofdstad te bekijken. 
Wat een dag, wat een plek. Heel bijzonder.”