Geschiedenis Helena

In 1875 kreeg scheepswerf Jonker in Kinderdijk opdracht van Wilhelm Georg Fromm om de stevenaak ‘Helena’ te bouwen. Dit schip was speciaal bedoeld voor de vaart op de Rijn, van Rotterdam tot Straatsburg. Het scheepstype Stevenaak kwam voort uit de (houten) Dorstense aak en behoort tot de laatste generatie zeilschepen die de concurrentie met de stoomvaart moest aangaan.

In de jaren als zeilschip was het varen erg zwaar. Elke brug was een obstakel waarvoor de hoofdmast moest worden gestreken, om op bezaan en fok, tegen de stroom omhoog te worstelen. Na vele trouwe jaren dienst als zeilende tweemaster werd het schip in 1911 verkocht. De roef werd naar achteren verplaatst om meer laadruimte te creëren. Ook werd de hoofdmast verwijderd. De bezaanmast was als hulptuig naar het hoofdmastdek verplaatst. De voortstuwing werd vanaf die tijd verzorgd door een opduwer. Het schip, dat toen ‘Antonius Maria’ heette, bleef als Rijnaak in de vaart, tot ze in de jaren 50 van achteren werd overvaren. Het schip zonk, werd gelicht en deed vervolgens dienst als sleepschip voor vletwerk in de havens van Rotterdam. Vanaf 1961 lag ze stil, werd haar naam omgedoopt tot ‘Argus’ en in 1979 werd ze aangeboden voor de sloop. Gelukkig werd ze niet gesloopt, en redde Bart Vermeer bijna 10 jaar later het casco door het te kopen. In de loop der jaren werd het hem duidelijk dat de restauratie te omvangrijk was om privé uit te voeren en in 1998 nam Stichting Het Rotterdamse Zeilschip de ‘Helena’ van hem over. Bart Vermeer werd benoemd tot projectleider en directeur.

De restauratie van de ‘Helena’
Er was nog maar weinig bekend over de specifieke bouwmethoden van de stevenaak. Voor de restauratie is er lang gesproken met oud schippers, er werden scheepsmodellen en oude foto’s bekeken en ‘bij toeval’ werd een oude bestektekening gevonden op de werf van Jonker. Er is besloten om al het ijzerwerk ambachtelijk te klinken, de roef te herbouwen en in te richten in oude stijl en de oorspronkelijke tuigage in ere te herstellen, net zoals het vrachtruim. De stevens van een stevenaak maken het schip karakteristiek. Het voorsteven was een soort klipperneus, het achterschip hoog en gewelfd. Het achterdek is voorzien van nieuw plaatwerk met het zo kenmerkende ruitmotief en ook de voorsteven werd deels gesloopt en gerestaureerd. Hierdoor kreeg het schip weer haar kenmerkende uiterlijk terug.

Verspreid over het hele schip werden flink wat huidplaten vervangen. Daarna waren de technische afbouw, de bouw van de roef en van de tuigage aan de beurt. Door middel van de oude gevonden tekening was de tuigage deels terug te halen. Het zware ‘’clippercanvas’ werd gekozen als zeil, een ruw doek met het uiterlijk van ouderwets katoen. De verstaging werd met zogenaamde ‘talrepen’ aan dek verbonden.

De modernere techniek is zoveel mogelijk uit zicht weggewerkt, maar voor het varen met gasten moesten er wel de nodige voorzieningen komen. Besloten werd om in het ruim een losse unit te plaatsen met daarin de kombuis en de toiletten. Deze unit kan als geheel uit het schip gehesen worden. Ook de bar en alle meubilair zijn uit losse elementen gebouwd. In het ruim zijn daardoor alle klinkconstructies prachtig in zicht, evenals de houten luikenkap en de houten buikdenning.

Het jarenlang durende restauratieproces is nauwgezet gevolgd door deskundigen uit de behoudswereld, het Rotterdamse Maritiem Museum, Prins Hendrik en het Scheepvaartmuseum Amsterdam. Sinds 2003 is de ‘Helena’ weer in de vaart. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft het schip erkend als monument van zeer grote waarde.